Zie: Liefde - 1986 (heruitgave in 2015)

 

Vertaald door: Hilde Pach
Paperback, 590 blz. € 20,00
ISBN: 978 90 5936 594 0

Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop

Ook verkrijgbaar als eboek
ISBN 978 90 5936 633 6 | € 14,95
- EBOEK KOPEN

 
  - Titelpagina
  - Leesfragment
  - Recensies
   

Het ging zo.

Een paar maanden nadat oma Henny gestorven en begraven was, kreeg Momik een nieuwe opa. Deze opa arriveerde in de maand Sjevat van het jaar 5719, dat is 1959 in de buitenlandse jaartelling.

Hij kwam niet via het radioprogramma waarin nieuwe immigranten de groeten konden doen, het programma waarnaar Momik iedere dag tussen tien voor halftwee en halftwee onder het middageten moest luisteren, waarbij hij heel goed moest opletten of ze een van de namen noemden die papa voor hem op een blad papier had geschreven; nee, de opa kwam met een ambulance van de Blauwe Davidster, die op een middag midden in een stortbui stopte bij de kruidenierszaak annex cafe van Bella Marcus.

Er stapte een dikke man uit; hij was bruinverbrand, maar het was geen sjwartse – geen Sefardische jood, het was er een van ons. Hij vroeg Bella of zij hier in de straat de familie Neumann kende. Bella schrok, droogde snel haar handen aan haar schort af en zei: Jaja, er is toch niets gebeurd, God verhoede?

De man zei dat ze niet hoefde te schrikken, er was niets gebeurd, wat zou er gebeurd moeten zijn? Ze hadden alleen maar een familielid meegebracht, en hij wees met zijn duim naar achteren, naar de ambulance, die er volkomen leeg en rustig uitzag, en Bella werd plotseling zo wit als een doek, terwijl zij toch, zoals bekend, nergens bang voor was. Ze ging niet naar de ambulance toe, maar liep er juist een eindje vandaan, naar Momik, die aan een van de tafeltjes zijn bijbelhuiswerk zat te maken.

Wej iz mir
, zei ze, hoezo opeens een familielid? De man zei: Nou, mevrouwtje, we hebben niet veel tijd, als u ze kan, ken u me misschien wel vertellen waar ze zijn, want er is daar niemand thuis. Hij sprak met veel fouten, terwijl hij er toch uitzag als iemand die hier al jaren woonde. Natuurlijk is er niemand thuis, zei Bella meteen, want het zijn geen parasieten, het zijn mensen die keihard werken voor de kost, van ’s ochtends tot ’s avonds zitten ze in het huisje van de Staatsloterij, daar in de tweede straat, en deze kleine jongen hier, die is van hun, en als u hier even wacht, meneer, dan ga ik ze roepen.

En Bella rende weg; haar schort had ze niet eens afgedaan. De man keek even naar Momik en knipoogde naar hem; toen Momik niets terugdeed – want hij wist maar al te goed wat hij moest laten tegenover vreemde mensen die hij niet kende – haalde de man zijn schouders op en begon de krant te lezen die Bella opengeslagen had laten liggen. Hij zei zonder aanleiding dat het zelfs met de regen die nu viel een jaar van droogte zou worden, en daar ontbrak het ons nog maar net aan.

Maar Momik, die normaal gesproken een beleefd jongetje was, bleef niet naar hem luisteren en ging naar buiten, de regen in, naar de ambulance. Hij klom op de treeplank aan de achterkant, veegde de regen van het ronde ruitje, keek naar binnen en zag daar de oudste man ter wereld rondzwemmen, zo ongeveer als een vis in een aquarium. Hij droeg een blauwgestreepte pyjama en was net zo verschrompeld als oma Henny voordat ze doodging.

Zijn huid was een beetje geel en een beetje bruin, net als bij een schildpad, en hing los om zijn nek en armen die heel mager waren; zijn hoofd was helemaal kaal en hij had lege blauwe ogen. Hij zwom in de lucht van de ambulance met krachtige slagen alle kanten op. Momik vond het precies de droevige Zwitserse boer die tante Ietke en oom Sjimek meegebracht hadden, opgesloten in een rond glazen bolletje waarin sneeuw viel, dat Momik per ongeluk gebroken had.

Bijna zonder erbij na te denken deed Momik de deur open, en hij schrok toen hij de man in zichzelf hoorde praten, met een eigenaardige stem die afwisselend omhoog- en omlaagging, nu eens geestdriftig en dan weer bijna huilend, alsof hij een voorstelling gaf of iemand een ongeloofwaardig verhaal vertelde, en ineens – en dat was echt haast onbegrijpelijk – was Momik er voor duizend procent zeker van dat de oude man Ansjel was, de jongste broer van oma Henny, mama’s oom, van wie ze altijd zeiden dat Momik op hem leek, vooral zijn kin, zijn voorhoofd en zijn neus, en die in buitenlandse kranten verhalen voor kleine kinderen had geschreven, maar Ansjel was immers gestorven bij de nazi’s – moge hun naam en herinnering uitgewist worden – en deze hier zag eruit alsof hij leefde. Momik hoopte maar dat zijn ouders het goed zouden vinden hem in huis te nemen, want na de dood van oma Henny had mama gezegd dat ze maar een ding wilde, en dat was haar leven in rust voltooien.

Net toen hij aan haar dacht, kwam mama er zelf aan – jammer dat hij niet aan de Messias gedacht had. Achter haar aan rende Bella, slepend met haar zieke benen (voor Marilyn Monroe waren de benen juist haar grote geluk), terwijl ze in het Jiddisj tegen mama schreeuwde dat ze niet moesten schrikken en het kind niet aan het schrikken moesten maken.

 
 
 
 
 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
Naar Cossee.com Naar Cossee.com