Het zigzagkind - 1994

 

Vertaald door: Shulamith Bamberger
Paperback, 448 blz. € 12,50
ISBN: 978 90 5936 272 7

Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop

Het zigzagkind - filmeditie

Ook verkrijgbaar als eboek
ISBN 978 90 5936 557 5 | € 9,95
- EBOEK KOPEN

 
  - Titelpagina
  - Leesfragment
  - Recensies
   

De trein floot en vertrok van het perron. In een van de wagons stond een jongen uit het raam te kijken naar een man en een vrouw die hem vanaf het perron toezwaaiden. De man maakte kleine, verlegen bewegingen met één hand. De vrouw zwaaide met twee handen en een gigantische rode zakdoek. De man was zijn vader; de vrouw was Gabriëlla, ofwel Gaby.

De man droeg een politie-uniform, want hij was politieman. De vrouw droeg een zwarte jurk omdat zwart slank maakt. Ook kleren met strepen in de lengte maken slank. ‘En wat het allerslankst maakt,’ lachte Gaby, ‘dat is naast iemand staan die nog dikker is dan ik, maar zo iemand heb ik nog niet aangetroffen.’

De jongen in het raam, die met de trein wegreed en naar die twee keek alsof hij ze nooit meer terug zou zien – dat was ik. Nu blijven ze twee dagen alleen, dacht ik. Alles is verloren.

Die gedachte pakte me bij mijn hoofdharen beet en trok me steeds verder het raam uit. Papa’s mond ging scheef staan en kreeg die uitdrukking die Gaby ‘de laatste waarschuwing vóór het proces-verbaal’ noemde. Kon me niks schelen. Als hij echt bezorgd om me was, dan had hij me niet voor twee dagen naar Haifa moeten sturen. En naar wie!

Op het perron blies een man in een spoorweguniform hard op zijn fluitje en gaf met grote gebaren aan dat ik mijn hoofd binnenboord moest houden. Het was om gek van te worden hoe mensen met een uniform aan en een fluitje in hun mond mij altijd weer in het oog kregen, zelfs in een trein vol mensen. Maar ik hield mooi mijn hoofd niet binnen. Integendeel. Dat papa en Gaby me tot het allerlaatste moment zouden blijven zien. Dat ze het kind niet zouden vergeten.

De trein was het station nog steeds niet uit. Hij reed traag door golven van warme, stroperige lucht en dieselstank. Ik begon nu nieuwe dingen op te merken. Reisgeuren.

Vrijheid. Ik ging op reis! Ik was alleen! Ik hield een wang tegen de wind, en daarna nog een. Ik liet me door de warme wind strelen, om zijn kus af te drogen. Hij had me nog nooit zo gekust waar andere mensen bij stonden. Wat dacht hij wel, eerst kussen en me dan wegsturen! Nu gingen er op het perron al drie fluitjes tegen me tekeer. Een heel orkest had ik daar. Omdat papa en Gaby niet meer te zien waren, trok ik mezelf weer naar binnen, maar wel traag en onverschillig, om te laten zien dat dat gefluit me geen fluit kon schelen.

Ik ging zitten. Was ik maar niet alleen in de coupé! En wat nu? Het was vier uur rijden naar Haifa, en aan het eind van de rit wachtte mij, somber en verwijtend en nog wanhopiger dan ikzelf, dr. Sjmoe’el Sjilhav, onderwijzer en pedagoog, schrijver van zeven studieboeken over onderwijs en staatsinrichting en toevallig ook mijn oom, papa’s oudste broer.

Ik stond op. Controleerde tot twee keer toe hoe het raam openging, en weer dicht. Deed ook het deksel van  het afvalbakje open en dicht. Verder viel er in de coupé niets meer open en dicht te doen. Alles werkte naar behoren. Een trein met alles erop en eraan, ik kon niet anders zeggen.

Dus ging ik op de bank staan. Ik wist me helemaal boven in het bagagerek te wurmen, liet me daarna weer met mijn hoofd naar beneden tot de vloer zakken en keek onder de banken of iemand toevallig geld verloren had. Maar dat had-ie niet, het was een oppassend iemand geweest.

Ik haatte ze, papa en Gaby. Hoe konden ze me zo aan oom Sjmoe’el uitleveren, en één week voor mijn bar mitswa nog wel. Van papa was het nog te begrijpen, die had ontzag voor zijn oudere broer en bewondering voor diens pedagogische deskundigheid. Maar Gaby? Die mijn oom achter zijn rug om uil noemde? Was dat het speciale cadeau dat ze me beloofd had?

Er zat een klein gaatje in de leren bekleding van mijn bank. Ik stak mijn vinger erin en maakte van het gaatje een gat. Soms vond je op zulke plaatsen geld. Maar ik vond schuimplastic en stalen veren. In vier uur tijd kon ik met mijn vinger op z’n minst door drie wagons heen boren, een tunnel naar de vrijheid graven, verdwijnen om nooit bij Sjmoe’el Sjilhav (voorheen Feierberg) aan te komen. En dan wou ik zien of ze me ooit weer weg zouden sturen.

Mijn vinger hield lang voor de drie wagons op. Ik ging op de bank liggen met mijn benen omhoog. Ik zat vast. Ik was een gevangene op reis. Op weg naar de rechtbank. Er viel geld uit mijn zak. Munten rolden door de hele coupé. Sommige vond ik terug, andere niet.

 
 
 
 
 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
Naar Cossee.com Naar Cossee.com