De stem van Tamar - 2000

 

Vertaald door: H. Man
Gebonden in linnen, 414 blz.
€ 12,50
ISBN: 978 90 5936 353 3

Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop

 
  - Titelpagina
  - Leesfragment
  - Recensies
   

Er draaft een hond door de straten en een jongen rent achter hem aan. Ze zijn met elkaar verbonden door een lang touw dat verstrikt raakt in de voeten van de voorbijgangers, die mopperen en boos worden, terwijl de jongen steeds maar 'Sorry, sorry,' mompelt en tussen het gesorry door 'Stop!' en 'Hier!' roept tegen de hond, en één keertje, pijnlijk genoeg, een onwillekeurig 'Hu!' En de hond blijft maar hollen.

Hij schiet vooruit, steekt drukke straten over, vliegt door het rode licht, en de jongen ziet de gouden vacht tussen de benen van de voorbijgangers verdwijnen en weer tevoorschijn komen, als een geheim signaal.

'Niet zo hard,' schreeuwt hij. Wist ik maar hoe die hond heet, denk hij bij zichzelf, dan kon ik hem bij zijn naam roepen en zou hij misschien stoppen of op z'n minst vaart minderen, maar ik voel aan mijn water dat de hond ook in dat geval zou blijven rennen, zelfs als het touw om zijn nek zo strak komt te zitten dat hij geen adem meer krijgt, dan nóg blijft hij doorrennen tot hij de plek bereikt waar hij zo nodig heen moet, dus hoe eerder hoe beter, dan ben ik van hem af.

Dit alles gebeurt op een ongelegen moment. De jongen, die Assaf heet, holt voort, maar zijn gedachten raken ver achter hem in de war. Hij wil ze uit zijn hoofd zetten, hij moet zich op de hond concentreren, maar de gedachten slepen achter hem aan als een sliert rammelende blikjes. Het blikje van de reis van zijn ouders bijvoorbeeld. Die bevinden zich op dit moment ergens boven de oceaan, voor het eerst van hun leven in een vliegtuig, maar waarom moesten ze ineens zo nodig weg?

Of het blik van zijn oudere zus, waar hij niet eens aan durft te denken, want daar kan alleen maar ellende van komen. En er zijn er nog meer, kleine en grote blikjes, en ze rammelen en botsen tegen elkaar aan, met aan het eind het blikje dat hij al twee weken met zich meesleept, dat hem gek maakt met zijn blikkerige geluid, dat heel hard schreeuwt dat Assaf nu eindelijk eens goed verliefd moet worden op Daffi, want hoe lang wilde hij nog wachten? En Assaf weet dat hij even moet stoppen om die irritante sliert met blikjes op orde te brengen, maar de hond heeft andere plannen.

Verdomme, kreunt Assaf, want net voordat de deur van de kamer openging waar hij de afgelopen week dagelijks van acht tot vier heeft gezeten, en hij geroepen werd om de hond te komen zien, had hij op het cruciale punt gestaan om verliefd op haar te worden, op Daffi. Hij kon toen letterlijk voelen hoe hij dat tegendraadse plekje diep in zijn buik eindelijk buitenspel ging zetten, en daarmee ook de trage, zachte stem die hem vanuit die plek steeds maar toefluistert: Niks voor jou, die Daffi, dat meisje doet niets anders dan iedereen altijd alleen maar plagen en uitlachen, vooral jou, waarom zou je nog doorgaan met die idiote vertoning, avond aan avond?

En toen, net op het moment dat hij die ophitsende stem tot zwijgen zou brengen, ging de deur open, en daar stond, mager en donker en verbitterd, Avram Danoch, onderdirecteur van de gemeentelijke reinigingsdienst en min of meer bevriend met de vader van Assaf, ook degene die Assaf deze baan bij de gemeente voor de hele maand augustus had bezorgd. En deze Danoch riep hem op om de handen uit de mouwen te steken en direct met hem mee te gaan, naar de kennel beneden, want hij had eindelijk een klus voor hem.

Danoch stapte flink door en vertelde intussen iets over een of andere hond, maar Assaf luisterde niet, hij had meestal een paar seconden nodig om zich aan veranderde omstandigheden aan te passen, dus hij sjokte maar achter Danoch aan, door de gangen van het gemeentehuis, langs mensen die hun waterrekening en belasting kwamen betalen, of hun buren kwamen verklikken die zonder vergunning een balkon hadden laten aanbouwen, en daarna de brandtrap af, naar de binnenplaats, en hij probeerde intussen bij zichzelf na te gaan of hij het laatste restje verzet tegen Daffi al overwonnen had, en te bedenken wat hij vanavond zou zeggen tegen Roy, die eiste dat hij nu eindelijk eens zou ophouden met dat getob en zich als een man zou gedragen.

En hij hoorde uit de verte al het harde, aanhoudende geblaf, wat hem verbaasde, want meestal blaften alle honden tegelijk, soms werd hij zelfs op de derde verdieping in zijn dagdromen gestoord door het hondenkoor, maar nu blafte er maar één. Danoch deed een hek van kippengaas open, draaide zich om en zei iets dat Assaf vanwege het geblaf moeilijk kon verstaan. Hij deed een tweede hek open en wees uitnodigend op het smalle pad tussen de kooien.

Het kon niet missen. Danoch had hem onmogelijk om een andere hond kunnen meenemen. Er waren zo'n acht of negen honden, ieder in zijn eigen kooi, maar in feite was het er maar één, die alle andere als het ware leeggezogen had en stil en duf achtergelaten. Hij was niet bepaald groot, maar hij had iets krachtigs en wilds over zich, en vooral ook iets wanhopigs. Zo'n wanhoop had Assaf nog nooit bij een hond gezien.

De hond wierp zich keer op keer tegen het gaas, de hele rij kooien trilde en dreunde mee, en hij stootte elke keer een griezelige hoge kreet uit, een vreemde mengeling van huilen en brullen. De andere honden lagen of stonden en keken stil en verwonderd naar hem, met ontzag zelfs, en Assaf had het eigenaardige gevoel dat als hij zoiets bij een mens had gezien, hij meteen naar hem toe was gegaan om te helpen. Of hij was direct weggegaan, om die persoon alleen te laten met zijn verdriet.

 
 
 
 
 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
Naar Cossee.com Naar Cossee.com