De ander van binnenuit kennen - 2003

 

Vertaald door: Hilde Pach
Paperback, 80 blz. € 9,95
ISBN: 978 90 5936 182 9

Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop

 
  - Titelpagina
  - Leesfragment
  - Recensies
   

Er is in ons mensen een angst voor wat er werkelijk gebeurt binnen in de ander.

Angst voor de mysterieuze, woordeloze, onbewerkte kern, die op geen enkele manier maatschappelijk getemd is, niet verfijnd, beleefd of tactvol is; die zich laat leiden door zijn aandriften, wild en chaotisch is, en volstrekt niet politiek correct; die droomachtig en nachtmerrieachtig is, extreem en naakt, die seksueel is en bandeloos, op zijn minst volgens de definitie van de maatschappelijke orde die heerst tussen ‘beschaafde’ mensen (wat dit woord ook moge betekenen); die waanzinnig is en soms wreed, en dikwijls beestachtig, in de goede en de kwade zin; die, zo u wilt, het magma is, de oeroude, gloeiende materie die borrelt in het binnenste van ieder mens, louter omdat hij een mens is, louter omdat hij een knooppunt is van zoveel krachten, en neigingen en wensen en aandriften.

Een magma dat in het algemeen bij geestelijk gezonde mensen – zelfs bij de meest opgewonden types – stolt en ‘zich matigt’ als het in aanraking komt met de lucht, dat wil zeggen met andere mensen, of met de beperkingen van de werkelijkheid, en dan tot een deel van het ‘normatieve’ sociale weefsel wordt.

Voor mij is schrijven, het schrijven van literatuur, onder meer een daad van protest en verzet en zelfs van opstand tegen deze angst. Tegen de verleiding om me te verschansen in mezelf, een bijna niet voelbare, vriendelijke en beleefde, maar wonderbaarlijk efficiënte scheidingswand op te trekken tussen mij en de anderen, en uiteindelijk tussen mij en mijzelf.

En nogmaals, voor alle duidelijkheid: de eerste aandrang, die de drijfveer vormt van het schrijven, is volgens mij de wil van degene die schrijft om een verhaal te verzinnen en te vertellen, en zichzelf te kennen. Maar hoe meer ik schrijf, des te sterker voel ik de kracht van de toegevoegde, bijbehorende aandrang, die hem completeert door zijn aard – de wil om de ander van binnenuit te kennen; de wil om de angst waaraan ik eerder refereerde te overwinnen, en te proberen werkelijk aan te voelen wat het betekent om een ander mens te zijn. De wil erin te slagen, al is het maar voor één moment, de gloeidraad te voelen die brandt in een ander mens.

En dat is iets wat misschien op geen enkele andere manier bereikt kan worden. Soms neigen we ertoe te denken dat we op momenten dat we ons lichamelijk en geestelijk tot het uiterste verenigen met een ander mens, hem kennen op een onvergelijkbare manier. In het Bijbels Hebreeuws wordt voor de beschrijving van de geslachtsdaad zelfs het woord ‘kennis’ gebruikt: ‘De man, Adam, kende (had gemeenschap met) Eva, zijn vrouw’ staat er in Genesis. Maar zo we op deze hoogtepunten van de liefde  al niet volkomen geconcentreerd zijn op onszelf, of op het hevig projecteren van onze verlangens op onze partner, dan zijn we doorgaans toch vooral gericht op het goede, op het mooie, op het aantrekkelijke en het lieve in onze partner. Niet op al zijn complicaties, niet op al zijn schaduwzijden, kortom, niet op alles wat hem ‘anders’ maakt in de diepste en volste zin van het woord.

Maar als we schrijven over de ander, over elke ander, dan streven we er immers naar een kennis te bereiken die ook de niet geliefde delen in hem omvat, de delen die afschrikwekkend en bedreigend zijn. De plekken waar zijn ziel verbrijzeld en zijn bewustzijn verkruimeld is. Die kokende ketel van het extremisme en de seks en de beestachtigheid waarover ik het eerder had. De plek waar het magma opborrelt, nog voordat het gestold is, en lang voordat het in woorden is veranderd.

 
 
 
 
 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
Naar Cossee.com Naar Cossee.com